Jean Dujardin speelde niet alleen in The Artist. Hij leefde het.

Het Franse bioscoopjuweel uit 2011 is niet zozeer een film als wel een liefdesbrief aan de jaren twintig. Het is zwart en wit. Geen dialoog. Alleen maar muziek en beweging. Een directe hommage aan de stomme film.

Het verhaal begint met een première. George Valentin is de koning van Hollywood. Hij is de grootste ster van het land. Peppy Miller komt binnen. Ze is een aspirant-danseres. En ze is een enorme fan. Ze kust George op de wang. De pers is er dol op. De foto loopt overal.

George merkt haar op. Hij is charmant. Hij staat erop dat de castingdirecteur Peppy een rol geeft in zijn volgende film. Het lijkt een gebaar van goede wil. Maar het is het begin van alles.

Peppie heeft talent. Haar carrière explodeert.

Dan komt het geluid. Talkies. Ze veranderen alles. Plotseling is George moeilijk. Hij is koppig. Hij weigert zich aan te passen. De studio ontslaat hem. Het is brutaal.

George probeert ertegen te vechten. Hij produceert in zijn eentje een stomme film. Het flopt. Moeilijk. Zijn vrouw verlaat hem. Hij verkoopt zijn huis. Hij veilt zijn leven.

Hij bereikt een dieptepunt. Een zelfmoordpoging.

Peppy vindt hem. Ze redt hem. Dan biedt ze hem een ​​baan aan.

Uiteindelijk zijn ze samen aan het tapdansen. Een musical maken. Een stille man en een gezonde vrouw. In perfect ritme.

De film bewijst dat je soms achteruit moet gaan om vooruit te komen.

Dit is niet alleen maar nostalgie. Het is een onderzoek naar ego. George Valentin vertegenwoordigt een tijdperk dat eindigde. Peppy Miller heeft de toekomst. Ze is flexibel. Hij is stijf.

Waarom heeft deze film zoveel prijzen gewonnen? Het was niet alleen de stijl. Het was het verhaal. Een tragedie werd een triomf. Zonder dat er ook maar één woord is gesproken.

Het publiek voelde het. De Oscars voelden het.

Het blijft een van de meest unieke inzendingen in de moderne cinema. Een risico. Een triomf. Een herinnering aan wat films vroeger waren.

En wat ze nog zouden kunnen zijn.