Al meer dan een eeuw is de levensverwachting in de ontwikkelde landen voortdurend gestegen, gedreven door de daling van het aantal infectieziekten en de vooruitgang in de cardiovasculaire zorg. De recente stagnatie van de winsten in sommige westerse landen heeft echter het debat aangewakkerd over de vraag of de menselijke levensduur een natuurlijke grens nadert. Een nieuwe Europese studie, waarin gegevens uit 450 regio’s in 13 landen tussen 1992 en 2019 werden geanalyseerd, suggereert dat het antwoord veel genuanceerder ligt. Uit de bevindingen, gepubliceerd in Nature Communications, blijkt dat, hoewel er in het algemeen nog geen plafond is bereikt, de vooruitgang steeds ongelijkmatiger wordt en er grote regionale verschillen ontstaan.

De bovengrens van een lang leven: nog niet in zicht

De studie daagt het idee uit van een dreigend biologisch plafond voor de menselijke levensduur. Regio’s met een consistent hoge levensverwachting – vooral in Noord-Italië, Zwitserland en delen van Spanje – blijven een stijging zien van ongeveer 2,5 maand per jaar voor mannen en 1,5 maand voor vrouwen. Dit tempo is vergelijkbaar met de historische vooruitgang en wijst erop dat er op deze gebieden geen tekenen van vertraging zijn. Vanaf 2019 bedroeg de levensverwachting in deze regio’s 83 jaar voor mannen en 87 jaar voor vrouwen, wat aantoont dat verdere winst nog steeds mogelijk is.

Uiteenlopende trajecten: een groeiende kloof

Terwijl sommige regio’s floreren, blijven andere achter. Eind jaren negentig en begin jaren 2000 was er sprake van een snelle convergentie van de levensverwachting in heel Europa, waarbij voorheen achtergestelde regio’s hun achterstand snel inhaalden. Rond 2005 keerde deze trend echter om. Gebieden als Oost-Duitsland, Wallonië in België en delen van Groot-Brittannië kenden een stagnatie of draaiden de winsten zelfs terug. Dit creëert een duidelijke regionale kloof: sommige gebieden blijven grenzen verleggen, terwijl andere moeite hebben om de vooruitgang vast te houden.

De cruciale rol van sterfte tussen 55 en 74 jaar

Het onderzoek wijst de periode tussen 55 en 74 jaar aan als de belangrijkste motor van deze uiteenlopende trends. Verbeteringen in de cardiovasculaire zorg en het nemen van risico’s in de jaren negentig leidden tot een snelle daling van de sterfte binnen deze leeftijdscategorie. Die vooruitgang vertraagde echter in de jaren 2000, en in sommige regio’s neemt de sterfte nu * toe*. Deze stagnatie of stijging van het aantal sterfgevallen tussen 55 en 74 jaar is voldoende om de algehele stijging van de levensverwachting een halt toe te roepen, aangezien deze leeftijdsgroep verantwoordelijk is voor een aanzienlijk deel van de sterfgevallen.

De studie suggereert dat gedragsfactoren – roken, alcoholgebruik, slechte voeding en gebrek aan lichaamsbeweging – een rol kunnen spelen, vooral in regio’s als de Franse Middellandse Zeekust en delen van Duitsland. De economische neergang van 2008 heeft de verschillen ook vergroot: sommige regio’s ondervonden blijvende gevolgen voor de gezondheid, terwijl andere regio’s bleven bloeien.

De toekomst van een lang leven: een tweeledig systeem?

De conclusie van het onderzoek is duidelijk: de menselijke levensduur wordt niet simpelweg beperkt door de biologie. Het wordt gevormd door sociale, economische en gedragsfactoren die een ongelijk landschap creëren. Hoewel verdere vooruitgang mogelijk is, zal deze niet universeel zijn. Europa riskeert een tweeledig systeem te ontwikkelen, waarin een minderheid van de regio’s grenzen blijft verleggen, terwijl de meerderheid een afnemend rendement ziet. De vraag is niet langer alleen in hoeverre we de levensverwachting kunnen verlengen, maar wie zal profiteren van deze vooruitgang.